van deur, roodzweetend ,trékloos gezichtje, had glimpjes goud in de rossige baardjes. Pereltjes zweet krielden op ’t voorhoofd, om vleugels van mopneus, tusschen en om roode sproetspetten.
Licht scheerde scherp langs de hoofden, op den bandeau met den scheidweg, op 't zwart fantasietje, op hoogen glim-hoed van Zelik. Overhemdsmouwen der mannen hoekten op ’t wit van de borden, roode handen op wit van ’t kleed, met niets dan de borden, de tinnen vorken en lepels, de messen en glazen. Op schaal bolde bruin met korreltjes zwart het brood, zoutvat er naast en een dikke gele komkommer in schijven gerond. Laag loomde de zol'dring op i bloemenbehang, plettend tezaam het gehijg van Zelik en Maupie, Bekkie en Serre, zoo ze waren bereid tot het maal van den Sjabbes en zoete bede tot God.”
Zo was het leven op Marken. Zelfs Heyermans moest het erkennen. Hier leefden eens de resten van een oude cultuur, waarvan slechts dommen en kwaadwilligen kunnen beweren, dat zij hard zou zijn en zonder gevoel.
Met U sta ik — voor het voormalige poortje: „De Roo’ Leeuw”. Aan de overkant der Matzefabriek van de Haan. Nooit meer zullen op deze plek stemmingen hoogtij vieren van een „Erev Pesach” met al de waarachtige vreugde, eigen aan het rijkgeschakeerde leven van de oude Amsterdamse Jodenhoek. Chometsbatteldag met het verbranden van het gezuurde.
Pesach. Ik denk aan de „wegleg-chewres”. Hoe de arme paupers hun geld „weglegden”, het hele jaar lang, om op Erev Pesach een
127