Het Hebreeuwse „A Po M” (= hun toorn) duidden zij als: Uilenburg, Vlooienburg en Marken.
En de dogeisj 13) in de Pei, is voor de Verwerei’
Zinvol deze bittere grap, tegen de achtergrond van de ontzaggelijke ernstige sociale misstanden, die hier tot de twintiger jaren heersten. Want bovenal Marken en Uilenburg herbergden een onmenselijke armoede. De woningtoestanden, die in 1795 — bij de volkstelling — werden gesignaleerd, tarten iedere beschrijving. Veel gegevens daaromtrent, danken wij E. Boekman, de socialistische wethouder van Amsterdam, die ik hier in diepe erkentelijkheid herdenk, voor de noeste arheid door hem verricht voor de demografie en sociografie der Nederlandse (vooral Amsterdamse) Joden.
„De volkrijkheid in de Jodenbuurt is op sommige plaatsen zo groot, ieder plekje, tot op de vliering toe, met zoveel mensen bezet, de onbescheidenheid van velen dier natie in dergelijke huizen was van dien aard dat alle de Wijkmeesters niet hebben durven instaan, dat er aldaar ook niet enkele mensen, kinders vooral, over het hoofd zijn gezien geworden” — aldus het onderzoek der rapporteurs. 13a)
Kernachtiger nog is het request der Christendiamantbewerkers, die zich in 1749 eenmaal aldus tegen de concurrentie der Joden wilden verweren: Zeggende, dat het hun onmogelijk was „volgens onze aangeboren aart, gelijk de Jooden te doen, onze kost te winnen
13) Dogeisj —de stip in de middelste letter, die deze een verdubbelde werking geeft.
13a) Boekman in Tijdschrift v. Geschiedenis 1930: De bevolking van Amsterdam in 1795.
Een ambtenaar controleert
De vrouw schijnt niet bijster ingenomen