— in strijd met de reglementen — buiten openbare kerkgebouwen godsdienstoefeningen liet houden.
„Hagnosas Kallo” verloor. De Kille nam het gebouw over in 1732. Ruim dertig jaar later (9 Mei 1765) werd tot verbouwing besloten. Tien dagen later ging men er zelfs toe over het complex geheel af te breken. In Augustus 1766 werd de nieuwe sjoel ingewijd.
Reeds in mijn jonge jaren had — door de verplaatsing der Joden naar andere centra der stad — deze synagoge haar eigenlijke waarde verloren. Maar kostbaar zijn de herinneringen aan jaren, toen de echte „Jiddisjkat” (onvertaalbaar mooi woord) hier uit de huizen straalde. Ik denk aan Sjloume Duikelaar, de proletariër - zanger van het Poeriemlied, wiens naam de weg vond naar het Nederlandse Woordenboek. Die van zichzelf getuigde:
„Drum ir libe lajt, koemt tsoe louf’n Oen toeht mir ein boech koufn Den lebe ich zonder zorg Ich woun ouf Uilenborg” s)
Reeds in zijn jaren was de levensstrijd hier zwaar. Maar het Jo* dendom behield iets van de eeuwigheid — ook in deze buurt.
Verhalen hoorde ik over R. Mordche Gazzen, die tot 1876 in deze sjoel zijn taak vervulde. Over Awrohom Grimberg, die hier „oor-de” voor tientallen „posjete jidden” — met hun onvervalst dialect, en hun brave warme nesjomme.
Wij wandelen door de straat; langs acht forse pakhuizen met tuitgevels. De nrs. 13, 15, 17 en 19 vertonen reliefs: stadgezichten met opschriften „De stad Kolen” — „De stad Coblentz” — „De stad Mentz” — „De stad Frankfort”.
Dan maar weer verder langs de paden onzer jeugd. Een heldere winterhemel spiegelt zich in het water. De brug over. Rapenburg. Even rechts, Valkenburgerstraat. Beter:
Marken
In de laatste jaren der 16e eeuw kwam ook dit eiland binnen de stad. In 1744 vindt men er een huis vermeld „daar het eiland van Marken uythangt”.
Maar met zekerheid valt over de naam weinig te zeggen. Oor-
119