91.
DE DOODSSTRIJD
Mijn hart: wat baat het of uw wegen zwierven Langs zooveel vreugde en zooveel vriendschap heen? Gij sterft, gelijk duizenden harten stierven, En als de wind waait uw machtloos geween.
O, lippen, die de blijde lippen kusten Lang en innig van de bekers met wijn, Straks dort gij van uw drift en zoete lusten, Drinkt, drinkt, één teug zal eens uw laatste zijn.
Mijn handen slank en licht tot lust bewogen, De bloemen van mijne donkerblauwe oogen, Mijn voeten dwalend langs driftige wegen, Alles vergaat. Den Dood houdt geen Man tegen.
Geen vogel ontvlucht. Hem weert laag nooh leger, Woede noch wanhoop, noch gespannen wil. Hij breekt de zangen van den stouten zeger, Hij maakt het lied van de verliefden stil.
En laat niet af: Hij legt zijn schaduw over De weelden van het wind-doorwoelde loover. Laat de zon schijnen met zijn milden luister, Gij gedenkt Hem: alles valt dof en duister.
De Zomer bloeit: gij plukt de rijke rozen, Gij schenkt koel water in het rozenglas. Denk, dat uw rozentuil eens 't hartbloed was Van een Knaap als gij zóó gereed tot koozen.
Gelijk de stroomen van uw hartbloed gaan Weer eeuwig in het wisselende schuil. Wat wordt gij? Wat gij waart: een waardloos vuil. Waarom? Geen Tijd zal de Eeuwigheid verstaan.