89.
DE VLUCHTELING
God: waar zal ik voor U vluchten Anders dan tot U alleen? Want Uw wraak, de diep-geduchte Drijft mij voor mij-zelven heen.
Ik was een Knaap, toen ik verliet Het huis van mijn Moeder in vrede. Die zocht en vond zijn vreugde niet Buiten haar liedren en gebeden.
Maar het hart liet zich bekoren Door een ongebonden lust. Hemelsch heil heb ik verloren En verloor mijn aardsche rust.
Ik heb de vreugd gedronken
Tot ik beefde voor mijn Vreugd,
In ban van duistren doem ben ik gezonken
Waar geen hoop en geen herinnring vleugt.
Voor de vreugden vlood ik heen Naar de donkre smarten. Wat bleef van al mijn tuchtloos tarten? Dof geween.
Mijn Moeders vrede heb ik blij verlaten, Uw Vrede heb ik nooit bereikt. Door de wilde straten
Drijven mijne voeten tot het hijgend hart bezwijkt.
Vreezend het luide leven, En vreezend voor den bleeken Dood, Mijn voeten breken voortgedreven Van nood tot nood.