Het Joodsche lied, 2de boek

Titel
Het Joodsche lied, 2de boek

Jaar
1921

Druk
1921

Overig
1ed 1921

Pagina's
162



140.

Waarlijk: wilde ik mijn wroegend leed bezingen, Voor zooveel wrangheid vond ik geen wrang woord. Er zijn vreugden, er zijn herinneringen Wier macht het gebed in hart en keel smoort.

Jerusalem: ik ging gelijk een vluchter, Die zijn schaduw ontvluchten wil, tot u. Dwaas, dat ik deed. Door nacht en dag geduchter Verlokt de vreugd, die ik ontvluchtte, nu.

Dwaas: ik dacht te Jerusalem te vinden Na zooveel vreugd, het lot van een vroom man■; De vroomheid, die hemel aan aarde binden Ziel en zinnen zalig vervoeren kan.

Ën 't lot? Des nachts besluipt als een verrader Verlangen en herinnering mijn bed. Noch Moeders Leer, noch de zegen van Vader, Die mij van hun teedre bekoring redt.

Des nachts: ik ga verlaten langs de wegen Rond Jerusalem in hooploozen strijd. Wie koos er immer tusschen vloek en zegen, Die later niet wreed zijne keus beschreit.

Had 'k immer het pad der vroomheid verkoren, Verlangen naar vreugde liet mij geen rust. In onrust verwekt, in onrust geboren Wil ik heiligheid en onheilgen lust.

Ik weet meer van het onheilig verlangen, Dan één van de stoutste genieters weet. Maar ook: mijn hart houdt heugnis van gezangen, Waarin 't Lot zich beschreiend. zich vergeet.

O, Knaap, die dit leest, mijn lot is besloten In 't Lied, dat zich snikkend voor u belijdt: Ik heb alles, wat gij geniet, genoten. En alles, wat ik ooit genoot, beschreid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.