SMART.
Waarlijk: ik zoek de smarten niet.
Ik zoek de vrijheid en de vreugd.
Maar smart besluipt mijn hart en lied Sinds mijn verloren jeugd.
ELIËZER BEN JEHOEDAH.
Gij, die de Taal boekt en die de Taal bouwt,
De schat, die ons Volk zich door de eeuwen won Als Minnaar en Meester in uw Hart houdt:
Dat ’k U in een Hebreeuwsch Lied danken kon.
GEBED.
O, God, ben ik een van Uwe leenlaten,
Laat mij dan niet alleen met dit wreed Lot.
En ben ik niet? Laat mij dan los, mijn Maten Wachten met vreugde en vrije spot.
AAN VELE VRIENDEN.
Want nooit te vergeefs zend ik mijn verlangen Naar schoonheid. Dit is des Dichters geheim: Die hem bekoort, dien viert hij met zijn zangen Maatvol en rijk van ruischend rijm.
WEIFELING.
Waarom ga ik op ’t avonduur,
Het teder avonduur naar den Heiligen Muur? Omdat mijn hart tot God zijn smarten klaagt? Of omdat Hassan daar mij vleit en vraagt?
79