IK-ZELF.
Een hevig hater.
Een minnaar mild.
Die nu of later De Dood toch stilt.
MACHTLOOZE EEUWIGHEID.
Neem mij ’t Oogenblik af vóór het voorbij is, Eeuwigheid, als gij dat kunt met uw macht. Ik weet precies wat u en wat van mij is: Verlangen, Genot en daarna Nacht.
AAN ALLE DICHTERS.
Uw litteratuur is litteratuur.
Waar is uw Lied, dat beeft van hartebloed? Het goud wordt gelouterd in louter vuur.
En het Lied in Gods grooten gloed.
FREDERIK VAN EEDEN.
Want waar ik sterven zal, ik weet het niet. Noch waar het driftig leven mij zal drijven. Maar dit zal mij boven al heilig blijven:
Uw vriendschap en uw afscheidslied.
DE DRONK.
Werelden drink ik in één glas met wijn.
Wat branden werelden diep in uw oogen.
Hef uw wijn naar mijn wijn, bewogen Door ééne zoete pijn.
132