256
toerekeningsvatbaarheid een juridisch begrip?’’ omgezet in de meer-Waardevolle vraag : ״Is de zielkundige des-kundige verplicht tot de beantwoording van eene vraag des rechters met betrekking tot de toerekeningsvat-baarheid van den beklaagde.” Zulke Waardevolle om-zettingen behooren tot het meest-belangrijke gedeelte van de taak van den signifiekkundige. Eene uit-voerige beantwoording van de aldus omgezette vraag, behoort reeds niet meer tot de signifiek in den eigen-lijken zin.
Toch hebben wij in dit geval de omgezette vraag uitvoerig beantwoord, omdat zij eene zeer betwiste strijdvraag is en omdat zij zoo bijzonder goed doet zien hoe begripsverwarring kan worden veroorzaakt door het gebruik van Waardelooze woorden of het onjuist gebruik van Waardevolle woorden.
De oorzaak van de verwarring is deze, dat de wet-gever in artikel 37 het woord ״toerekenen” gebruikt zonder een soortbepalend bijwoord : ״zedelijk, maat-schappelijk, strafrechtelijk”. Een dergelijk gebruik is Waardeloos, gelijk eene overeenkomst waardeloos is, waarbij men iemand ״iets” belooft. Bovendien heeft ״ontoerekenbaar” zonder soortbepalend woord in de aldagelijksche spreektaal de beteekenis van ״krank-zinnig”. Ook dit werkt storend en geeft aanleiding tot de meening, dat een vraag naar de toerekening zonder meer door den geneeskundigen deskundige moet worden beantwoord. Indien de wetgever en de rechter inzagen, dat het gebruik van ״toerekenen” zonder een soortbepalend bijwoord Waardeloos is, zou het woord wellicht niet meer daarzonder worden ge-bruikt. En wellicht zou men inzien, dat de vraag of iemand ״zedelijk, strafrechtelijk of maatschappelijk toe-
Verwarring ver-oorzaakt door art. 37.