224
verweer. Wij denken aan de volkomen of de betrek-kelijk onbepaalde vonnissen. Intusschen : in ’t algemeen geldt, dat wij eenen beroepsdief gevaarlijk vinden en slecht. 1) En, wellicht niet geheel logisch, eenen klep-tomaan vinden wij eenen zieke. 2)
Overwichtder Ongetwijfeld vallen zedelijke toerekening en straf-verdedigmgs- rechtelijke toerekening gedeeltelijk samen, maar in de
gedachte in de J ! . 1111
strafrechtelijke strafrechtelijke toerekening overweegt steeds het belang toerekening. van ^e maatschappelijke verdediging. Trouwens: ook het zedelijk oordeel vormt zich niet vrij van de be-langen van de gemeenschap. Het is niet toevallig, dat zedelijk slechte handelingen dikwijls mede maatschap-pelijk gevaarlijke handelingen zijn. 3)
1) Niet volstrekt algemeen. Prof. Diepenhorst in zijne voor-noemde bijdrage in ״Stemmen des Tijds״ van Augustus 1915 ves-tigt de aandacht op de eerste Stelling van Mr. Dr. N. Muller, behoorend bij diens proefschrift ״Biografisch-aetiologisch onderzoek over recidieve bij misdrijven tegen den eigendom״, welke Stelling luidt gelijk volgt: ״Af keer van den dief is een sociaal instinct van lage orde. Het is in vorm een psychologische appreciatie, echter niet berustend op psychologische ervaring en analyse, dus oppervlakkig. Het is in wezen een maatregel van sociale verdediging, echter van den uitersten een oud, onbeschaafdheid en onvolledigheid״.
2) Evenmin algemeen. Volgens Prof. Heymans zal echte ״moral insanity” nooit als grond voor ontoerekenbaarheid mogen gelden : ״Inderdaad is het mij altijd als het toppunt van ongerijmdheid voorgekomen, den gewonen misdadiger zwaarder te straffen, naar-mate hij minder blijk geeft van zedelijk gevoel, om dan plotseling, wanneer dit zedelijk gevoel tot een minimum is gedaald, straffe-loosheid te doen intreden'״) ״Over strafrechtelijke toerekening’’ bldz. 484). Men zie over ״insania moralis’’ Prof. Van Hamel's Inleiding § 36 afwijkend van de meening van Prof. Heymans. Voor de rechtspraak raadplege men de Overzichten in het ״Tijd-schrift voor Strafrecht” op art. 37.
3) Men vergelijke het slot van de bovenstaande Stelling van Mr. Dr, Muller.
1