209
een daad hem wordt toegerekend, noemt men ,,toe-rekenings vatbaarheid” of korter ,,toerekenbaarheid”. *)
Zeer onverschillig voor het woordgebruik betoont zich Mr. J. A. Nederburgh in een opstel: ״Verant-woordelijkheid, straf, vergelding en veiligheidsmaat-regel.” 1) Bijvoorbeeld: ,,het begrip strafrechtelijke ver-antwoordelijkheid, toerekenbaarheid of welken anderen naam men er aan geven wille”. En elders, waar de schrijver het wezen van het Strafrecht omschrijft : ״Is die weerslag een straf, door de publiekrechtelijke gemeenschap opgelegd, dan noemen we die verant-woordelijkheid een strafrechtelijke, of spreken van toe-rekenbaarheid of liever toerekeningsvatbaarheid, in ,t andere geval bestaat alleen privaatrechtelijke ver-antwoordelijkheid, aansprakelijkheid.” 3)
Zoo zien wij bij de rechtsgeleerden, de zielkundige samenvatting, geneeskundigen en de wijsgeeren meer onvastheid en meer verwarring in het woordgebruik dan bestaan zou indien de taal logisch was. Want een logisch woord-gebruik is steeds zuiver en stellig en wordt gemakkelijk algemeen aanvaard. En vooral: de woordverwarring is thans grooter dan zonder ernstige begripsverwarring mogelijk is.
Niet ten onrechte schrijft Dr. W. H. Cox : ״De ־ rechtswetenschap, die niet weinig prat gaat op haar
1
״Tijdschrift voor Strafrecht’, Jaarg. XX, vooral bldz. 71.