205
van dertig vragen. T) In deze leidraad worden de woorden ״toerekeningsvatbaar” en ״ontoerekenings-vatbaar” geregeld gebruikt.
* *
*
Wij zagen in het voorgaande, dat het gebruik van woordge-het woord ״toerekeningsvatbaar” en van zijne aflei־bruik van een
1Γ1 1 1 ן .. ןTT* aantal schrij-
dingen zoowel afgekeurd als verdedigd wordt. Het 1svers־ thans niet onze bedoeling een volledig overzicht te geven van het juiste en onjuiste gebruik bij Neder-landsche rechtsgeleerden, geneeskundigen en wijsgee-ren. Toch wil ik enkele aanwijzingen geven aangaande het woordgebruik van een aantal schrijvers, wier ge-schriften ik voor de samenstelling van dit boek ge-regeld raadpleegde. Mijne ervaring is deze, dat de schrijvers wier woordgebruik het meest logisch en taalkundig het meest juist is, zich het duidelijkst uit-drukken.
Op het woordgebruik van Prof. Van Hamel en van Prof. Simons werd reeds gewezen voor zoover hunne leerboeken van het Strafrecht betreft. De juiste tegen-stelling tusschen ״toerekenbaarheid van de daad” en ״toerekeningsvatbaarheid van den dader” wordt door Prof. Simons gemaakt in zijn bekende tijdschrift-bijdrage:
״Ons burgerlijk delictsrecht”. 1) ״Voor het strafbare feit wordt, naast de materieele handeling, gevolg en onrechtmatigheid, gevorderd de aanwezigheid van schuld bij den dader en deze onderstelt toerekeningsvatbaar-heid van den dader en toerekenbaarheid van het gevolg door het bestaan van opzet of schuld in engeren zin.
1
In ״Themis” van 1902.