91
spraak” als:1) „het voelen ineenvloeien van den indruk, door eene vroegere gebeurtenis op ons gemaakt, met den indruk van het tegenwoordig oogenblik, en de daarom bewustgewilde invoeging van taalmiddelen, die eigenlijk voor die vroegere gebeurtenis passen, te midden der woorden, die betrekking hebben op het oogenblikkelijk besproken feit”.2) Mijn definitie: „invoeren van een symbool uit een systeem in een signifisch gelijk-gericht systeem”. Dat twee systemen gelijk-gericht zijn kan niet anders worden bewezen dan door een nooit beschaamd vertrouwen op hunne gelijk-gerichtheid. Voorbeeld: Cartesiaansche getallenruimte en Euclidische ervarings-ruimte.
Uit mijn definitie van „metaphoor” blijkt, dat meta-phoor zelf een zinnelijk spraakbeeld is voor een geestelijke werkzaamheid.
Ook blijken verschil en overeenkomst tusschen metafoor en definitie. Mijn definitie van definitie: „Vervanging van symbolen uit een systeem door benaderend-gelijk-waardige symbolen uit hetzelfde systeem”.
1
over de metafoor” in N. T. Jrg. IV. Vgl. „De behandeling van figuurlijke taal” in Jrg. III.
*) Over do verhouding tussdien „beeldspraak” en „metafoor”: J. M. Acket: „Stijlstudie en stijloefening” Hoofdstuk XVI „Beeld
spraak” en Hoofdstuk XVIII „Stijlfiguren”.
2
) „Het Gevoel in Taal en Woordkunst”, bldz. 147.