vindt men terug in Levensrecht (1907) en Groot Nederland (1908). Genoemde tijdschriften namen ook andere schetsen van De Haan op. Afzonderlijke vermelding verdienen de Besliste volzinnen die De Haan in De Amsterdammer (1907, 1908, 1909 1910) en Ontwaking (1908) publiceerde. Zij werden in 1954 voor het eerst gebundeld uitgegeven in tekstverzorging van K. Lekker-kerker.
In 1908 verscheen dan bij Meindert Boogaerdt in Rotterdam de tweede roman van De Haan: Patbologieën. De ondergang van Johan van Vere de Witb, voorzien van een voorrede van Georges Eek-houd, door De Haan uit het Frans vertaald. Bovendien werd een Woord vooraf opgenomen waarin de schrijver van de gelegenheid gebruik maakt om, zoals hij schrijft, ״een misverstand op te helderen betreffende mijn vroeger boek ״Pijpelijntjes"." Naast de in groen linnen gebonden uitgave, verscheen ook een ingenaaide editie met op de voorzijde een anonieme tekening, een hoofd voorstellend dat naar een tussen twee handen geheven roos kijkt. Op de achterzijde van het boek opnieuw een roos, geplaatst tussen twee horizontale balken.
Als voorpublikatie was eveneens in 1908 een fragment uit Patbologieën afgedrukt in De Nieuwe Gids, voorzien van de opdracht Voor Johan Bendien. Ook in Ontwaking werd in dat jaar een fragment uit Patbologieën opgenomen, overeenkomend met het tweede hoofdstuk uit het tweede deel. In beide gevallen werd de roman als in het voorjaar verschijnend aangekondigd. De Amsterdammer bracht op 1 maart 1908 een gedeelte ״uit den eerstdaagsch verschijnenden roman ״Pathologieën"," overeenkomend met het vierde hoofdstuk van het eerste deel.
De auteur noemde zich niet langer Jacob de Haan, maar Jacob Israël de Haan, een toevoeging die hij vanaf 1905 ging gebruiken; de voornamen die hij in 1882 bij zijn besnijdenis had ontvangen.
Het verschijnen van Patbologieën betekende tevens het einde van De Haan als verhalend prozaschrijver. Hij publiceerde nadien, een enkele tijdschriftbijdrage daargelaten, geen verhalen of romans meer. De vertellingen die hier en daar uit zijn reisbrieven zijn te halen, dragen een geheel ander karakter. De prozaïst zou plaats maken voor de dichter. Vooral door zijn poëzie, als dichter van het Joodse lied, zou Jacob Israël de Haan een blijvende plaats in de Nederlandse letterkunde krijgen. Zijn debuut in de literatuur had hij
220