JACOB ISRAËL DE HAAN
En 't Meksenmens malmoedig:
— We gaan verhuizen, kakmadam... we gaan verhuizen. In de plee piepte 't hondje, de Duitse ging uit.
Moe en slap na dolle drukte lag Sam op de canapé en z'n stem vleide mij: -Dagjopie.
Van beneden af piepte het hondje.
—Joop, ik ben zo moe, ik ga wat slapen, zeg, zal je dat witte kreng beneden d'rin laten?
-Ja... toe nou, wees nou rustig. Zachtjes lag hij en huilde.
Een kwartiertje later was Duitse er weer. Met twee kruiers. En ze laadden het armelijke boeltje op en alles natdoorkledderd met water.
In de plee was 't stilgeworden, piepte 't niet meer. En naar 't foxje vroeg Duitse niet. Dat begreep ze.
Achter 't deurraampje keken Sam en juffrouw Meks, hoe de kruiers opreeën en de kar voortdouwden, Duits mensje erachter. De stad in.
96