jacob israël de haan
Een luchtig lachen kreeg ik om deze briefen dadelijk zag ik hoe we daar zouden zitten in de lichte zaal, waar wij apart in een donkerlichtschaduwhoekje en zachtjes her-pratend, zoals we altijd deden. En nu was alle eenzaamheid geleden, maar nu ook ineens hervoelde ik alles, wat 't geweest was en ik kon 't niet uithouden meer in die lamplichte kamer, waar juffrouw Meks koffie zou drinken met ons. Het was vijf uur.
-Juffrouw Meks... ik moet in enen uit op deze brief, wacht u maar niet met de koffie.
- In enen... kan u niet effen een koppie meedrinken?
- Nee, echt niet... ik moet weg.
Het was heerlijk weer geworden, een helderlichtwitte wind en de straten waren droog. Nou goed overleggen... om negen uur in de Pan, dat is over negenen, want Sam moet er eerst zijn... anders gaat 't niet goed... en nou niet in de stad blijven en zo maar deris lopen... een heel end, ergens heen, dat 's beter, anders kon je 't toch niet uithouden... waarheen...?
Halfweg... Zaandam, dat is net zowat om negen uur thuis... ja Halfweg maar, dat 's 'n goeie rechte weg...
Op de Stadhouderskade de straat opgebroken voor de tram1, een rij roodrossende lichten erom, maar de kade verder donker.
En rechtuit, even rechts 't Leidseplein en dan de Nassaukade, paisibel in 't winteravondlicht. 't Raampoorteklokje2 sloeg zes uur.
Stil soesde 't nog in mij na wat Meks gezegd had... toch wel 'n goed mens, om zo voor 'n anders kinderen te zorgen, je moest d'r maar zin in hebben, enfin, een goed kind toch die
1. De tram werd in die dagen geëlektrificeerd; men werkte daar 's nachts aan, overdag reed de paardetram
2. Een klok (met minutenwijzer), in 1891 geïnstalleerd aan Politiepost 'Raampoort'
68