PIJPELIJNTJES
De kist lieten ze zakken. Dan heviger snikhuilde juffrouw Meks toen ze zei:
- Meneer Sam was 'n beste m'neer al was-ie 'n beetje vreemd... en ik hoop al z'n leven nog zulleke huurders voor me kamers te krijgen... dat mag hier in 't aangezicht van de dood gezegd worden.
Kalm gingen de dagen over ons heen en langzaam aan warm-goudener getint zomertoe. Ik had m'n buitenkamer weer afgezegd, Koos ^eld gegeven en gezegd, dat hij me nooit mocht opzoeken weer, en doen of hij me kende ook al zag hij me nog. Voor de andere jongen had ik een goeie baas gezocht. En nu leefde ik kalmvermoeid 't gewone huisleven met de anderen mee, helemaal met hen op- en neergaand in gewone dagelijkse levening. Aan hun tafel at ik, langzaam aan wennend aan hun grover doen en spreken, en betertevreden met dit leven.
Tonia was gebleven. Had niet gesproken van weggaan, en ik dee 't nu ook niet. Juffrouw Meks boosbuiig tegen haar praatte van opzeggen 't kleine kamertje en van me niet te laten afvreten door zo'n kale meid. Maar ik zei, dat ze blijven kon zolang ze maar wou en doen zoals ze wou.
Aan tafel met ons at ze niet. Vroegmorgen ging ze uit, en laatavend kwam ze thuis of helemaal soms niet in dagen en dagen. Sprak niet tegen ons, vroeg alleen maar wat geld, als ze 't nodig had.
Maardan op een morgen, na wegwezen van drie dagen kwam ze op m'n kamer.
-Joop... ik ga bij je weg.
- Zo... waarheen?
- In betrekking... Ik heb 'n betrekking gekregen in een Huis op de Spuistraat.
237