XXII. DE MEID VAN SAM
Sam was er niet. Was weer heengegaan naar zijn eigen kamer en hij had mij alleen gelaten in 't huis, waar we saam hadden gewoond en waar alles toch nog van hem bleef. Paisibel was hij heengegaan en zonder hevigheid van soms andere keren. Het was herfst geworden en de weewichte herfstgrijsheid drukte onze hoofden dof. Dagen lang regende het nu sarkalm uit egaal-herfstige regenhemel over de tuin waar alles glimglad overregend triestigde. Stil waren wij geworden in durige herfstwee-moed. En op 'n dag zei Sam.
-Jopie, ik voel me weer zo vreemd... ik ga maar 'n poosje weg weer naar juffrouw Kater.
- Ben je niet goed?
- Ik weet 't niet... ik voel me zo slap... zo doorgeregend... 't is heus beter, dat ik 'n poosje bij je weg ben. Ik zal je dikwijls schrijven en als ik beter ben kom 'k weer hier... misschien als 't weer wat zonniger wordt.
״Ja-
Toen weer dagen alleen. De lange doorgeregende uren emotieloos met de dooie boekedingen. Alleen maar zo af en toe kleinbrieQe van Sam, dat hij nog niet goed was, maar dat-ie nou wel weer gauw weerkomen zou en dat ik hem weerschrijven moest. Maar hij kwam niet terug, dagen niet en weken niet. De triestige herfst was winterig helder geworden... waarom kwam Sam nou niet terug... 't was nou toch goed weer... hij kon toch allang weer beter zijn... zo lang was hij nog nooit
214