jacob israël de haan
Maar rustig werd 't dan toch, ze waren stil gaan liggen met mekaar. Om mij heen niets dan de zwarte stilte, die zachtjes te suizen in mijn oren begon... scherp te suizen, zachtscherp... zachtsarrendsuisscherp... almaar door. En 't suisgeluid wou niet bedaren... ik begon te praten om er overheen te komen, maar 't suizen bleef... verzachtte tot doezeliger rittelen... dat in mijn oren kriezelde1 van binnen... diepplagend zachtjes en dan in enen iets feller weer, dat mijn vlees schokte. De stilte zwarterzwart en al maar zwaarzwarter worden. En 't dikke zwart te schuiven en schudden zwaarbelbobbelend... vol geluid de kamer... dikdrollig geluid, dat traagjes bobbelde uit de hoeken op... in 't zwart op...
Maardan radeloos kil in krankzinnige bobbende zwartstilte uitgilde ik uit:
- Sam... Sam... lieveling.
Lichtdag toen ik wakker werd. 't Ledekant weggenomen voor de canapé. Ze waren op al alledrie en gekleed om uit te gaan. Vlug stond ik op en waste mij fris af, kleedde me ook aan, lek-kerlosjes. 't Zwarte gevoel was weg, even lichtduizelde m'n hoofd.
- Kom Joop, vlug wat, we gaan even eten.
Lizzy ruimde de kamer op; zette koffie, vreemd bewoog een meisje door ons dagelijks rommelgedoen heen. Ze was toch wel mooi... waar zou ze nou heengaan... de vlakte op natuurlijk, toch jammer... bij ons kon ze niet blijven... nee, dat kon niet...
We aten vlug gedaan.
- Ziezo... nou zal ik maar gaan, zei m'neer Frits niet lachend, je zal d'ris zien, hoe gauw ze me ingepikt hebben, enfin... je zit d'r veilig... nou m'neer Sam 't goeie hoor en m'neer Driesse 't
i. Krabbelde (Duits: kritzeln)
212