XXI. M'NEER FRITS
Was de worstelknecht van m'neer Koppé, die boven ons woonde één hoog. Als m'neer Koppé geworsteld had en warm was en vermoeid en bezweet, dan veegwreef m'neer Frits hem af, zachtstevig wrijvend dat-ie de huid niet kapotmaakte op de rug van worstelaar. Fijnnetjes, netjescorrect liep m'neer Frits altijd naast worstelman mee, eventjes achterblijvend. Droeg 't bruine citytasje met olie en de handdoeken. Trotsgroot voor 'm stap-stapte m'neer Koppé naar z'n leslokaal ergens in de drukke stadsbuurt. Altijd had m'neer Frits een grijze hoed, een rooie das en een vrouw. Juffrouw Meks sprak er schande van en ni-chie ook. Juffrouw Koppé vond 't niet erg zolang m'neer Frits goed met haar was, maar toen ze met 'm ruziede, vond ze 't ook schande en met z'n drieën schandekletsten ze d'rvan, de kul-buurt rond. Juffrouw Koppé uit 't raam één-hoog boven en ni-chie met juffrouw Meks in de tuin.
- Dat-ie nou trouwt over de puthaak, dat is nog tot daaran toe, maar dat die al die meissies zo nakende uitkleedt, dat is gemeen, wat u nichie?
En van boven af:
- As ik alles geweten had, was-ie nooit bij me in huis gekommen, u begrijpt as je iemand buiten de kost hebt, dat is veel duurder dan in de kost, dat's vanzelf, en me man is wel op 'm gesteld, ik zou liegen as ik anders zei, hij is goed voor z'n werk.
- Is dat nou nog zo moeielijk, dat afdrogen? Ik dacht, dat daar nou niet zoveel an was, naarbovenpraatte juffrouw Meks terug.
205