JACOB ISRAËL DE HAAN
- Ik wou u juist vragen, u neemt me de woorden uit de mond, dus u komt alle twee?
Ja, zeker, en de helft van de kosten mag u op ons briefïïe schrijven.
- Nee maar, dat 's heerlijk, nou kannen ze temminste van haar kant zien, dat wij ook geen opraapsel van de straat zijn.
- Nee, 't is heel goed zo... wie vraagt u?
- Nou, ik had zo gedacht, behalve wijzelf, de huisjuffrouw en d'r man, en juffrouw Lepelaar met nichie... die kanne goed samen conversere en de neef van De Bree, die an de polisie is met z'n vrouw en verder niet.
Toen was juffrouw Meks weg en ik zei spottend:
- Wat heb jij 'n goeie bui.
Maar Sam heel ernstig:
- 'k Weet 't niet... heb jij dat nooit zo'n egale tinteling in je lijf, dan heb je net zin om voor iedereen goed te zijn... kom ik sta op, dan gaan we nog wat wandelen.
Juffrouw Meks had precies verteld en verrekend, wat er wezen zou: thee met taartjes en bonbonnetjes, dan bier en limonade en voor wie wou een conjakkie en laat 'n koud soepeetje. En we hadden 't heel goed gevonden en 't zou bij ons op de achterkamer zijn.
Nu waren zij er. De laatste binnen, deftig-laat de huisjuffrouw en haar man. En de ondurige wachtonrustigheid kalmde prettig neer tot bedaard prateren. Groepjes kringden saam. Juffrouw Meks in 't midden en daarnaast juffrouw Lepelaar met nichie en de man van de polisie met z'n vrouw en daarnaast Sam en dan de man van de huisjuffrouw en huisjuffrouw zelf en ik. Dan juffrouw Meks weer, want 't was 'n ronde tafel en Toos met Anna zaten een beetje apart naar achteren.