JACOB ISRAËL DE HAAN
- Heb je 't goed gedaan?
-Ja, m'neer.
- Heel goed?
-Ja m'neer, zal ik me maar uitkleden?
-Ja, dat is goed.
Vlug kleedde hij zich uit... z'n jas, z'n vest... z'n borstrok, z'n hemd. Bruinprachtig naakt blootte zijn borst met een fijne weerschijn van lamplicht en langzaam genietend keek ik er naar. Z'n hals was recht en onder 't sleutelbeen schaduwloos.
- Is 't goed?
- Tot zover wel, doe nou de rest ook maar uit.
Hij deed z'n schoenen uit, z'n kousen, trapte z'n bovenbroek af, de dikbruine onderbroek. Nu zag ik hem helemaal in een tintelende roes van goudbruine vreugd.
- Ga wat uit 't licht... zo, 'n beetje meer naar rechts.
Hij stond stil in de onbewogen schaduw en ik bekeek hem... wat een prachtjongen... wat was hij slankfijn en sterkgespierd. M'n adem heethijgde en heftig stond mijn verlangen om hem te nemen en te zoenen, overal.
- Koos, kom eens hier.
—Ja, m'neer.
Maar mijn koele kalmte tegen de gekochte jongen herwon ik toen 'k bedaard zei:
- 't Is al goed, ik dacht, dat ik 'n vuile plek zag.
Zachtbevendjes stond hij in zwarte lampschaduw.
- Ga maar zitten en als je drinken wilt, dan kan je wel drinken ... doe die witte doek van mij maar om... jou goed stinkt en dan ga jij ook stinken.
Vreemdwitverlicht zat hij bij de tafel in felgouden lichtening en dronk. Onderwijl praatten we wat.
- Wat doe je met 't geld?
- Ik weet 't nog niet... ik geef 't an m'n meissie.
148