JACOB ISRAËL DE HAAN
keek uit 't raampje, vreemd-onbewogen en toen zeurzei ik maar:
- Moet u er nog dikwijls heen?
Oud wijfje graagpraatte dadelijk terug:
- Na Haarlem nog 'n hele tijd, m'n ene zoon zit 'r voor vijf jaar, ziet u langer zitten ze daar nooit en hij hèt 'r nog geen twee jaar van afgezeten, dus daar moet ik nog heel wat keertjes heen... affïjn, me man hèt 'r ook gezeten, maar niet in die grote ronde1, die was d'r toen nog niet. 't Is 'n hele koste tellekes voor me, maar je moet wat voor je kindere doen en as-ie wat had vroeger, dan dee-die voor mijn ook alles...
- O, u hebt zeker nog meer kinderen?
—Ja, ik heb d'r vier... maar 't is wel hard, ze bennen geen van allen goed door de wereld gekommen. An mijn hèt 't niet gelegen en an m'n femilie ook niet, maar an m'n mans kant, die wou niet deuge. Me man zelf ook niet, hoeveel maal dat die wel ge-zete hèt, mag God wete, affijn, hij is temminste nog thuis ge-storreve, dat 's één geluk.
Haar oudverzwakte stem deinde op haast niet bewogen, en ze praatte of ze 't meer verteld had, en 't nu gewoon was geworden een verhaal van andere-lieden. Maar ik rilde van oude boeven-moedertje, dat graagpratend van haar boeventroep vertelde. Halfweg voorbij en even aandachtig keken we naar 't kleine spoorstationnetje en de paar mensen daar; en uit 't andere raam staartuurde Sam, juffrouw Meks sliep. Weer midden in 't gewone veld, dat we alle twee kenden, herpraatte oud vrouwtje:
- Zoas ik u al zei, m'n oudste jongen, die zit in Haarlem voor vijfjaar, omdat-ie ingebroken hèt. Hij zeit wel, dat-ie 't niet gedaan hèt, maar u begrijpt, voor niks zetten ze je niet vijfjaar daar... en me dochter zit in Montfoort2, dat is achter Utrecht, dat zal u wel wete. Daar gaan ik maar zo af en toe heen op onge-
1. De Haarlemse koepelgevangenis werd in igor gebouwd
2. Rijks Tuchtschool voor meisjes, gevestigd in het Kasteel van Montfoort
128