VII Orel
In mijn vroegere opstellen over de Russische gevangenissen werd voortdurend de Centrale gevangenis te Orel genoemd als een waar de politieke gevangenen wreedaardig werden mishandeld. In de Beweging van december publiceerde ik een brief, door mij geheimelijk uit een Russische gevangenis ontvangen, met een nauwkeurig verhaal van verregaande mishandelingen.
In het Handelsblad van zaterdagavond 5 april verscheen een artikel van de heer H. S. van Son te Efratovo, gouvernement Orel, waarin deze beweerde, dat er in de gevangenis te Orel niet mishandeld werd. Het bewijs voor deze bewering was geen ander dan de verklaring van de gevangenis-ambtenaren zelf. Ik was overtuigd van de juistheid van mijn inlichtingen en bood aan met de heer Van Son te zamen de gevangenis te Orel te bezoeken. Het daartoe nodige verlof is mij door de gevangenisadministratie geweigerd. Mij dunkt, dat wij hierin gevoeglijk een bekentenis van schuld mogen zien. Een ontzettende schuld waaraan in Rusland niemand, niemand twijfelt.
Na het verschijnen van het eerste artikel van de heer H. S. van Son heb ik mij gewend tot bevriende gevangenen. Zij hebben mij de twee volgende brieven toegezonden. De ene is geschreven door een broeder aan zijn broeder. De tweede is geschreven aan mijzelf. Beide brieven zijn uit het Russisch vertaald door de heer A. Saalborn, beëdigd translateur.
‘Mijn lieve, beste, broer!
...En nu, beste jongen, zul je zeker gaarne iets van mij willen weten. Je kunt je niet voorstellen in welk een toestand ik mij op het ogenblik bevind. Wat hebben die beulen te Orel met mij gedaan! In het begin ging het nog enigszins. Men behandelde
144