Joseph Minor
Dit is een naam, die mijn hart zeer ontroert. Maar ik schrijf geschiedenis. De heer Minor heeft mij te Moskou verzocht zijn familie te Parijs te gaan bezoeken, zijn vrienden in Frankrijk en Rusland. Ik ken geen tweede man over wiens liefde en toewijding iedereen, iedereen spreekt met zulk een volkomen eerbied. Wanneer geen onverwachte keer mocht komen, sterft deze man in een gevangenis of in ballingschap, zonder ooit zijn vrouw en kinderen te hebben weergezien.
De heer Minor is een van de zeer bekende leden van de socialistisch-terroristische partij. Hij behoorde reeds in 1889 tot de ballingen, die slachtoffer werden van wat men heden nog noemt: ‘de gruwelen van Yakoetsk.’ In de stad Yakoetsk bevond zich in die tijd een aantal administratief verbannenen, die verder moesten naar de dodelijke poolstreken van het gouvernement Yakoetsk. De regering wilde dit transport doen plaatshebben op een wijze, die naar de mening der verbannenen, gelijk stond met de hongerdood. Er werd niet genoeg eten meegegeven om tot de bestemming te komen. Voor de joodse verbannenen werden nog bijzonder ongunstige schikkingen getroffen. De verbannenen weigerden, wellicht mede door een misverstand, te vertrekken. Soldaten kwamen, die op de verbannenen schoten. Zes werden gedood, velen gewond. Drie personen werden ter dood veroordeeld, twintig andere tot zware straffen, dwangarbeid. Bij de laatsten bevond zich de heer Minor, die twintig jaar gevangenisstraf kreeg. Tengevolge van enige amnestiebesluiten was de heer Minor op het einde van de negentien jaren weer vrij en hij vestigde zich in Frankrijk. In 1908 maakte hij in het belang van zijn partij een reis door Rusland, natuurlijk geheim. Hij werd aan de Russische regering verraden en verkocht door mejuffrouw Zeitline, een spion, en te Sarâtov gearresteerd. Zijn vonnis is: acht jaar dwangarbeid en levenslange verbanning naar Siberië. Maar ik schrijf geschiedenis.
Bij de verwanten van de verbannenen, die in 1889 te Yakoetsk waren, zal men u een karton laten zien met een aantal kleine portretten van die strijders. In het midden de drie ter dood
127