de lupuslijder
I
Na de droom werd 'k dadelijk wakker gemaakt en ik zag, dat het binnen en buiten nog niet dagelicht was, ofschoon ik in mijn droom een diepe dag van licht had gezien. In mijn ogen zweefde licht voorals nog na, gevormd in rode, gele en violet-donkerblauwe ballen, alsof ik tegen de open en blote dagzon had aangestaard. Maar het koele duister kalmeerde de lichtgevende warmte van mijn ogen, en toen die stil geworden waren, probeerde ik weder bewust te denken over mijn dromenschoonheid, doch dat kon ik precies niet meer. Wel meende ik, maar uiteraard toch zonder bestemde zekerheid, dat ik als hier volgt had gedroomd: 'Ik woonde in een stad met muren en poorten van grijsachtig en witachtig porselein. Die stad was gelijk ik mij in mijn jongensjaren de Zuid-chinese woonplaats Nanking had voorgesteld, en het porselein der poorten was fraaier dan het hooggeachte van twee Chinese offervaatjes, in mijn bezit. Hoewel ik in de stad woonde bewonderde ik de ivoorporseleinen poort, waaronder ik nu uitliep, alsof ik die vroegertijds niet hadde gekend. Onder de poort zat een zeer verouderde vrouw, die fruit verkocht. Zij was beslist nog ouder dan zogenaamde Po-
103