de vrouwen. Zij is de dochter van sjeikh Chmed. En zij is verloofd met den zoon van sjeikh Djadoeng, die al zes jaar is. Over tien jaar gaan zij trouwen. Ik zou den kleinen bruidegom van zes jaar wel eens willen zien. Maar hij hoedt het klein vee zijns vaders héél ver van de tenten. Dus troost ik mij maar met de strengeltjes van het schooiertje, wiens vader een groote sjeikh was. Maar hij is jong gestorven. Meskien! Sjeikh Chmed is nu zijn beschermer. Hij kust hem met een groote teederheid op zijn donker kopje.
Sjeikh Chmed vertelt nu groote en belangrijke dingen. Hoe zéér zij den Mandoub il Kebir (gij zoudt eenvoudig zeggen Sir Herbert Samuel!) wel achten. Hoe mooie geschenken zij zijnen zoon gegeven hebben bij diens huwelijk. En dat hij, sjeikh Chmed, die mooie geschenken heeft mogen overhandigen. Alle omhurkers hooren dit verhaal met achting en aandacht aan. Allah is groot!
VI.
Op den terugweg rijden wij dus aan bij den Sjeikh der Sjeikhen van het geheele district
82