Kuds wel voor hem in orde maken. Laat hij Allah loven, dat de „mudir el chakoek” dezen nacht gekomen is in zijn nederig huis.”
Ik lig neer. Sidderend in een koorts, die opkomt. Zij praten zacht om den grooten vuurpot. Af en toe blaast de waard aan. Dan spoken de schaduwen door het groote, leemen huis. Hij trekt diepe teugen uit zijn waterpijp. Naastaan stommelen de paarden. De ezels en de kameelen. De knechts hebben vriendschap gesloten. Zij lachen. Zij kaarten. De eeuwigheid vergaat.
m.
De wereld is stil geworden. De vuurpot is gedoofd. De waard slaapt in een grauwen mantel op den grond gerold. Ook zij, die eigenaars van paarden, ezels of kameelen zijn, slapen daar. De knechten slapen naastaan. De groote dieren stommelen in de stilte. Ik zal niet slapen tot den morgen. Ik weet het en ik lig gelaten. De koorts doet geen pijn. Het is warm, verward en weldadig. Aan den muur hoog een rood pitje van een Arabisch nachtlampje. Het licht en de schaduw bewegen niet. Wat zijn woorden? Wat is denken? Ik tel den tijd. Het is héél heet en
i47