YEBNEH,
28 Januari.
Een hotel is er teYebneh niet. Maar er is een khan. En daar begeven wij ons dus heen. Of wij er overnachten kunnen? Natuurlijk kunnen wij. Op den leemen vloer van het groote gastvertrek zal de waardige waard nog twee bedden leggen. Achmed zal met de andere knechts in een andere kamer slapen. Wij zijn de eenige paarden. Maar er is een oude Bedoeien met een paar magere ezels. Er zijn kameelen en koeien. Abdoel Salaam is dadelijk op dreef. Hij heeft water en gerst-stroo voor de paarden gevraagd. Achmed is al bezig uit deze twee modderpoelen twee menschwaar-dige paarden te maken. Abdoel Salaam vraagt ook den sleutel van de poort. Als wij slapen gaan, zal hij zelf de poort sluiten. Dan behoeft Achmed niet te waken bij de paarden. Hij verzekert den waard van den khan, dat ik „mudir el chakoek” uit Jeruzalem ben. Wij zijn op reis naar Jaffa. Maar Allah heeft gewild, dat zoo een
145