beden vergezellen in het oude Ashdod deze schijnbaar eenvoudige taak: „wakker worden”! Uw gastheer rekt zich uit en zegt: „Uw dag zij gezegend”. Hierop kan men van alles antwoorden. Maar men mag slechts antwoorden: „Uw dag zij gezegend en gelukkig”. Op de hartelijke vraag van uwen gastheer: „Hoe zijt gij?”, zou van alles kunnen passen. Maar te Ashdod en elders past alleen dit: „Allah zij geloofd! Tevreden”. Uw gastheer zal hierop zeggen: „Allah zij geloofd!” Als hij iets anders zegt - maar hij zal (Allah zij geloofd!) niet iets anders zeggen — dan moogt gij hem gerust houden voor eenen dwaas, wiens ouders ook reeds dwazen zijn geweest.
Maar als ik dan door dit héél moeilijke wak-kerworden ben hééngekomen, hoe mooi is dan de morgen! Rondom het huis zijn heuvelen. En op de heuvelen waaiende en wuivende dadelpalmen, die men te Jeruzalem niet ziet. Een zachte, milde morgenzon. Een helderwitte en blauwe lucht, die van regen afstaat. De ochtendgebeden zijn zoo mooi en zoo nieuw, alsof God zelf er voor ons heeft geschreven.
De motormolen maalt. Isaac Effendi vertelt ons hoe duur de petroleum weer is. Alles moet per kameel (met wien wij reeds kennis hebben
136