V.
Ik schrijf u dit des avonds met een kleine lamp gezeten. De maan, die nog vol is, legt zijn licht over den kleinen hof van dit kleine huis. Het is alles klein groot en geheimzinnig. Wij hebben de dagen in Gaza afgesloten, zooals men een weefwerk in Gaza afsluit. Vanmiddag zijn de heeren Jozef en Benjamin, gebroeders, in spijt van Achmed’s eeden, toch weer in de khan gekomen. Zij hebben mij voor alle zekerheid medegenomen. Maar Hadj Achmed, de zoon van sjeikh Jaacoeb (Allah zij zijn ziel genadig!) heeft geslapen. Dus hebben wij de paarden héél stil losgemaakt. En zij zijn weggereden. Toen heb ik hard geroepen: „Achmed, Achmed... de paarden... waar zijn de paarden. Bij mijn geloof, de paarden zijn gestolen.” Iedereen heeft Hadj Achmed uitgelachen. Ook de blinde man (min Allah!), die in de poort van de khan zit. En wacht tot goede voorbijgangers hem een bete brood geven. Moge Allah alle goede voorbijgangers zegenen. Het is voorbij .Vanmiddag zijn vier reizigers vertrokken. Wij zijn weder twee alleen. En vannacht legeren de zeven hotelhouders, klein en groot, weder binnen. Jozef en Benjamin zijn al naar bed. Zij hebben heel
112