82
Amsterdamsche kooplieden hadden spoedig in de kolonie hun agenten: zoo vinden wij vermeld, dat Mozes da Silva als zoodanig David de Ferera en Abraham de Lucena had aangesteld. Ook tusschen de Joden in de verschillende kolonies ontstond een levendig onderling handelsverkeer, daar de afstand tusschen hen kleiner was dan tot het moederland.
Toen in 1667 deze kolonie aan de Engelschen moest worden afgestaan, werden in de artikelen der overgave de bepalingen opgenomen, dat al de inwoners in het genot hunner rechten zouden blijven welke zij onder de Hollanders hadden genoten, ook de Joden. Bij den vrede van Breda in hetzelfde jaar werd dit uitdrukkelijk bekrachtigd.
Dat het voor het Amerikaansche Jodendom een geluk is geweest, dat Nieuw Nederland in 1654 aan Holland heeft behoord, heeft de geschiedenis wel bewezen.
De vele buitenverblijven, die vermogende Portugeesche Joden langs Amstel en Vecht bezaten, hadden het ontstaan van eenige buitengemeenten ten gevolge. Oorspronkelijk kwamen de bewoners dezer vacantie-verblijven des zomers ten huize van één hunner bijeen tot het houden van Synagogale diensten, zoo in Maarssen, waar zij zich in het midden der 17e eeuw nederlieten, en waar zij de eerste blijvende Portu-geesch-Joodsche nederzetting buiten Amsterdam vestigden. Na aanvankelijke tegenkanting van de dorps-autoriteiten richtten zij in één der zalen van het buitenverblijf Hogesant, toebehoorende aan Abraham Aboab, een Synagoge in, totdat de vrije uitoefening van den Joodschen Godsdienst in Maarssen werd toegestaan, waarna zij, vereenigd in de gemeente „Neveh Salom”, een Synagoge bouwden. Zij voerden in Maarssen ook de zijde-industrie in, welke een tijd lang heeft gebloeid en aan een 25-tal dorpelingen een bestaan heeft opgeleverd. Als geestelijke leiders dezer buitengemeente fungeerden o.a. Haïm en Ishac Saruco en Benjamin Dias Bran-don, die aan de Leerschool Ets Haim hun opleiding hadden ontvangen. Een Amsterdamsche Rabbijn, die tijdelijk te Maarssen heeft gewoond, Dr. Salomoh de Is. de Meza, schreef