140
Na de staatkundige gebeurtenissen van 1848 heeft de toenmalige Minister van- Justitie bij missive van 14 Juni 1850, aan alle Israëlietische Kerkbesturen in Nederland gericht, te kennen gegeven dat het Israëlietische Kerkgenootschap op een exceptioneele wijze werd bestuurd, die het geheel aan het Staatsbestuur ondergeschikt heeft gemaakt. Daarom achtte hij het noodzakelijk, dat een Commissie uit alle deelen van het Rijk bijeen zou worden geroepen, om een reglement voor de geheele reorganisatie van het Kerkgenootschap te ontwerpen, De Amsterdamsche Portugeesche Gemeente weigerde echter, afgevaardigden naar deze vergadering in den Haag te zenden, uit vrees, haar zelfstandigheid te verliezen. Na een arbeid van ongeveer twee jaar ontwierp deze „Constituante” een concept-reglement, dat echter nooit in werking is getreden. Na dien werd nimmer iets van haar gehoord, zoodat in de zitting der Tweede Kamer van 24 November 1857 de Minister voor de Zaken van den Hervormden Eere-dienst o.a. verklaarde, „dat die organisatie vooreerst niet zal tot stand komen.”
Ook toen in 1870 te Amsterdam de „Constitueerende Vergadering voor de beide Israëlietische Kerkgenootschappen in Nederland” werd gehouden, wenschte de Portugeesche Gemeente niet tot de organisatie der beide Kerkgenootschappen toe te treden, evenmin als tot de toen ingestelde gemengde „Centrale Commissie”. Het gevolg was, dat bij Koninklijk Besluit van 17 Augustus 1870 alle vorige Besluiten dienaangaande werden ingetrokken, en met ingang van 1 September van genoemd jaar de „Hoofdcommissie” werd ontbonden, overwegende, dat „nadat van de zijde der Israëlietische Kerkgenootschappen bepalingen betreffende de inrichting en het bestuur zijn vastgesteld, de bemoeiing van het Staatsgezag met de Kerkelijke aangelegenheden der Israëlieten behoort op te houden.”
Sedert dien tijd dagteekent de afzonderlijke organisatie van het Portugeesch Israëlietisch Kerkgenootschap in Nederland, aan welks hoofd een „Hoofdcommissie” staat.
Een onderdeel van deze fusie-politiek van Willem I was ook zijn plan, in 1826 opgevat, om in Amsterdam een Alge-