126
op Simon uit Kahira’s halachisch werk („Shoné Halachot, aldaar 1762). Onder zijn opperrabbinaat vond vooral de Hebreeuwsche taal en dichtkunst in de Portugeesche Gemeente talrijke ijverige beoefenaren. Reeds vele jaren voordat in Duitschland, tengevolge van Mozes Mendelssohn’s Duitsche Pentateuch-vertaling (1782), een beweging was ontstaan om het Hebreeuwsch als literaire taal meer onder de Joden te verbreiden, waarvan in 1783 de Vereeniging „Doreshé Lesjon ’Eber” en van 1784—1811 het tijdschrift „Meassef” het gevolg was, was in Amsterdam onder de Portugeesche Joden een dusdanige beweging tot grooten bloei gekomen.
De ziel daarvan was David Franco Mendes, die te Amsterdam in 1713 was geboren. Na een uitstekende opvoeding te hebben genoten, wijdde hij zich aan den handel. In de uren, welke zijn koopmanschap hem overliet, hield hij zich bezig met godgeleérde studies, de dichtkunst en de bestudeering van vreemde talen. Hij vormde een uitgebreiden kring van ontwikkelde vrienden, die met hem het genootschap „Mikra Kodesh” vormden. De voornaamste leden waren: Isaac Cohen Belinfante, die behalve een goed Hebreeuwsch dichter ook een uitstekend bibliograaf was; Joseph Shiprut de Gabay, een vermaard schoonschrijver; Mozes Abudiente; Jacob Chai (Vita) Israël, David Ximenes Pereira; Samuel Rodrigues Mendes, de uitgever van bekende correcte uitgaven van den Pentateuch en het gebedenboek, en Mozes Chajim Luzzatto. Laatstgenoemde (1707—1747), uit Padua afkomstig, had zich naar Amsterdam begeven nadat hij door het rabbinaat van Venetië in den ban was gedaan wegens zijn kabbalistische dweeperijen. Hier werd hij zeer vriendelijk ontvangen: men gaf hem een jaarlijksch stipendium, terwijl hij in het voorname huis van Mozes de Chaves gastvrije opname vond. Hij leverde in 1743 aan de nieuw-hebreeuwsche poëzie een kunstwerk, zooals zij niet licht een tweede heeft aan te wijzen: een in vorm, taal en gedachte volledig drama, onder den bescheiden naam van een gelegenheidsgedicht bij het huwelijk van zijn leerling Jacob de Chaves met Rachel da Veiga Henriques uitgegeven („Laisharim Tehila”). In dit drama treden geen personen op, maar abstracte begrippen: vernuft en dwaas-