VIJFDE HOOFDSTUK
LODE BREEKT MET LUCAS.
Eenzaam wandelen twee Limburgse jongens door hef verlaten Brussel. De vooravond hebben ze op ’t atelier van Lucas doorgebracht, waar Eddi;e op Lode’s aandringen oude, middeleeuwse, liederen heeft gespeeld, waarbij Lode vroom heeft gezongen. Ze hebben ook weer over Ronde gepraat, ,,’t Is vreemd, maar als ge die genieën persoonlijk kent, zegt hun werk u minder,” meent Lode.
Eddie is ’t daar wiel niet mee eens, maari die kent; Ronde dan ook niet. Zo graag zo'u hij hem eens schilderen, dat móet een meesterwerk worden en hij smeekt Lode herhaaldelijk: „Lode, je weet, ik vraag je maar één ding, stel me aan Ronde voor.” Maar het is bekend dat heti onmogelijk is in het sacrosancfo door te dringen, de grote m,an is ongenaakbaar. Terwijl hun stappen opklinkeri over de stille Boulevard du Midi, praten ze nog over den sfuggen, groten dichten
Vanavond was er geen Vlaams toneel, maar de Waalse theaters zitten vol met fraai geklede lieden, voor de Kerstmis. Lode vindt het verdrietig dat er nooit gala-avonden zijn van het Vlaams massafheafer; daar komt geen koning, geen society, nimmer is men er in rok met witte das. Hij neemt het Ronde ’n beetje kwalijk dat die zijn invloed niet gebruikt om het aanzien van het Vlaams toneel te verhogen.
Lode is ontstemd. Hij heef! vanmiddag den bankier Presburg met zijn nichtje getroffen in ’n café. De man had hem gevraagd om vanavond naar ’n klein feestje te komen vanwege de Kerstboom, maar wijl Judy geen teken van instemming gaf, doch verwaand en koel haar oom opvorderde nu ’s af te rekenen, had hij zich verontschuldigd.
Nu wandelen twee jonge kunstenaars die de wereld moeten veroveren, in het jaar des Heren 1931 op de trieste avond vóór Kerstmis langs de huizen, waaruit soms liederen komen, niet altijd even stichtelijk; uit kroegen klinkt zelfs lichte zang.
83