haar ogen glanzen, haar mond is vochtig. Lode denkt: nu of nooit, en gaat haar zoenen. Maar haar lichaam is loom en ontspant zich, ze gaat in een te schilderachtige en niet erotische houding op de divan liggen, grijpt Baudelaire en begint voor te lezen, een bizar loflied op Kaïn, dat Lode niet begrijpt. Waarom stellen de Katholieken er zo’n prijs op, dezen demon als een der hunnen te beschouwen?
Alles doet hem pijn: deze vrouw zo tastbaar bij hem en zo onbereikbaar.
Ze heeft van zijn kamer iets heel liefs gemaakt. Toen ze voor ’t eerst kwam, zei ze: „Foei, ’n echte mannenkamer!” En Lode, die nog wel dacht ’n heel eigen sfeer in zijn vertrek te hebben niet alleen, maar iets ecclesiastisch, geïnspireerd op Mestroms’ en Knoups’ kunstzinnige pastoors-interieurs: de bidstoel, het portret van den Paus — hoewel dat geflankeerd werd door een foto van Judy als Marieken van Nimweghen en den filmheld Conrad Veith.
Nu is het dubbel moeilijk, in deze door haar geschapen intimiteit haar zo ver af te gevoelen. Hij hijgt en zet ook nu weer met dubbele kracht en Baudelaire als springplank, een poging tot bekering op, om haar in zijn bed te krijgen, met het gevolg, dat ze plots van de divan opveerf en zegt: „Kom, we gaan nog even naar de Taverne...”
En nu doet Lode in haar gezelschap gelijk hij in Maastricht placht te doen wanneer de deceptie om zijn leven, het opzien tegen de sleur van Maandag, hem overweldigde: hij drinkt en drinkt, voedt zijn eerzucht met bier. Hoewel hij weet, dat zij er niet van houdt en zijn temperament er niet tegen kan. Iemand achter hen beweert, dat Ronde heeft meegedeeld, dat het leven en de idealen der Vlaamse jeugd hem niets zeggen en nu de naam van den ouden meester uitgesproken is, op een ietwat geringschattende wijze, begint Lode, inplaats van den dichter te verdedigen, gelijk Judy verwachtte, zich omwendend, het gezelschap bij te vallen en den man zodanig uit te tekenen, dat heel het café om zijn heftigheid geamuseerd toeluistert:
„Ge moet maar gek doen, als ge wilt imponeren. Hij is een doodgewone zuiplap, geen halfgod; een bezopen vent, die niet met z’n tijd meekan, met zijn 1’art pour 1’art-geze-mel. Hoort hij dan niet de klop van de tijd, het zuigen der machines, het lévensrhythme! Hij mag mij wel, hij waardeert mij zelfs zeer, maar ik moet eerlijk bekennen wat ik
102