De prominente lieden van hef land zijn aanwezig; de Koninklijke Vlaamse Schouwburg glanst van zijden revers en witte vesten; plechtig ruisen de jurken. De bijval is volledig. Over Lode’s gelaat trekt de glimlach van extatisch genot. Hij snuift vol welbehagen de nare stank van vet, zweet en bier, op, als hij achter de scène komt. Daar wacht hem Zeehane, arrogant of hij gespeeld had. Hij schettert tegen Judy: „Je ziet, ik doe niets half!” Hij heeft ’n feestdiner in mekaar gezet, waarbij vele professoren en dichters aanzitten en nu moeten Judy en Lode met hem mee.
Hoe hij ook soebat, Judy wil niet. „Ze amuseren zich ook zonder ons,” zegt ze. Hoewel Lode er weinig tegen heeft, zich nog ’s te laten zonnen, bestelt hij ’n taxi en ze rijden naar ’t Bois de la Cambre, waar ze gaan dansen op ’n open plek tussen de bomen onder de lampions. Het doet zoet pijn te bedenken, dat geen van deze mededan-sende mensen weet, dat wij de bejubelde kunstenaars zijn van hedenavond en hij drukt het slanke meisje in zijn armen. Hij voelt een heftiger leven in zich en Judy kijkt in zijn ogen: het is of zij nu hetzelfde voelt. Van dit moment komen wensen in Lode op, nooit tevoren gekoesterd. Er glijden toneellichtjes over de blauwe wiegelblaren onder de lampions.
De kranten daveren goedkoop dat dit weer ’n grootse opleving is geweest van Vlaamse kunst. Wolff heeft leven geblazen in versteende verzen, of ook zich gelaafd aan de nooit opdrogende bron van het Germaanse cultuurgoed. De opvoering was aangrijpend schoon en dat danken we aan den puiken spelleider en speler Lode Wolff en de zuivere eenvoudige creatie van Marieken door Judy Prins. Zulke woorden geven moed, ook aan hen, die, hoewel onverzettelijk in hun opgaaf, toch wel ’s momenten van twijfel kennen. Er zijn ook enkele verwaten persstemmen die den souffleur in hun hulde betrekken om zijn al te luide gedienstigheid, of die ’n tekort aan dramatische spanning constateren; één sneert zelfs: „Nog enkele van die toneeljuwelen en het publiek is met geen stok meer in ons nationaal theater te jagen.”
Maar nijdassen heb je altijd, dus Lode trekt er zich niets van aan. Hij is ook niet meer nerveus of bevreesd, dat iemand hem gek zal vinden met zijn grijs bolhoedeke. Hij teert nu op z’n succes. Oom Presburg, die in de wolken
100