haar niet en was door de mot aangetast; als ik n kerel was geweest en n revolver had gehad, had ik rinkelend door het keukenraam geschoten op die kleine, oude, rimpelige vrouw, maar ik ben geen kerel en de wroeging om alles, om ’t verraad, om de zondige gedachten, om ontoereikende en de walging voor de doode visschenreuk van dit vochtige, door en door bouwvallige huis, deden my vluchten, terwyl bevreemd de kleine, gryze vrouw in de opgevreten jas met haar slechtziende oogen naar my zocht. Eenige minuten later stond ik op straat, waar het triest regende.
Nu wandel ik rusteloos door een vreemde stad en denk aan ’t schimmelig huis waar myn zoon woont met een vrouw die zyn moeder niet zyn kan.