,Hier moet je een sigaret?”
gaat het velen vrouwen. Als de vragen beantwoord zijn, blijven de mannen nog even in groepjes bij elkaar afscheid nemen.
„En jij, nummer 2285, waar woon jij ?”
„In Rotterdam.”
„Dat is fijn, zeg, dan kunnen we zo ver samen gaan, ik ga naar Den Haag.”
Bij deze laatste woorden voelt de man een vreugdegolf door zich heen gaan. Ik ga naar Den Haag, ik ga naar huis. Het is deze keer geen droom. Alles om mij heen is echt. Niemand vindt mijn woorden gek. Nergens staan meer bewakers te gluren of te commanderen. Ja, zelfs de Duitser, die daar staat, lacht tegen mij. In een geluksroes stapt de ex-gevangene op den soldaat toe en reikt hem de hand.
„Ik ga naar huis.”
„Aha! Schön, was? Auch Kinder?”
„Ja, één. Mijn vrouw weet nog van niets,” glundert de Haftling. „Hier, moet je een sigaret?”
De gevangene geniet van zijn vrijheid. Dat is me even wat! Een bewaker, waar je vroeger voor in de houding moest springen, gewoon een sigaret aanbieden en zelf ook meeroken zonder angst te hebben voor een melding. Laat-ie glimmen!
Op enige afstand van de twee mannen staat een gebogen figuur in een nis van het wachtlokaal toe te kijken. De scherpe trekken in zijn gezicht verraden een zwaar leven. Fel gloeien
153