Wanneer hij zich achterover op zijn krib Iaat vallen, zijn er geen gedachten meer in het hoofd van den „zwijgzame”. Roerloos staren z’n onwezenlijk grote ogen naar het witgekalkte plafond.
Als een opgejaagd dier loopt de man, die een cel verder opgesloten zit, heen en weer. Straks is het zo ver. Hij heeft alles verspeeld. Z’n vrouw en kinderen zal hij nooit meer terug zien. Straks zal zijn naam bij de gefusilleerden staan, dan is alles voorbij. O, kon hij nog eenmaal overnieuw beginnen. Nog eenmaal tonen, dat hij berouw heeft. „O, God, ik heb altijd verkeerd geleefd, geef mij nog eenmaal de kans. Ik zal altijd goed voor iedereen zijn, ik zal geven, wat ik kan, geen arme zal mijn deur voorbijgaan.” De man valt op zijn knieën voor de krib. „O, God, heb medelij, ik weet het nu, uit louter zucht naar weelde heb ik die bonkaarten vervalst. Help mij slechts nog één keer.” Wanneer de voorovergebogen man zich langzaam opricht, bekruipt hem een gevoel van angst en twijfel» Hij heeft zich nooit iets aangetrokken van God of gebod, hoe kan hij nu ineens verwachten, dat God hem genadig zal zijn ? Sinds zijn gelovige moeder de macht over hem verloor, heeft hij met steeds fellere hartstocht naar vermeerdering van zijn bezittingen gestreefd. Wat wil hij nu nog, hij, die Gods woord altijd als een hinderpaal terzijde geschoven heeft? Zal God hem nu helpen; nu hij aan de rand van de dood staat? De bange twijfel neemt steeds scherpere vormen aan. Neen, hij heeft van niemand meer iets goeds te verwachten, God kent hem niet, en zijn geld kan hem niet meer redden. Waggelend, als een dronken man, loopt hij naar de tralies toe. De vrijheid nabij voelend, grijpt een alles overheersende vlaag van angst en verlangen hem aan, zijn handen omklemmen de stijlen, als wil hij ze doormidden breken. Het klamme zweet breekt hem uit. Hij drukt zijn hoofd zó stevig tegen de tralies, dat de ijzeren stangen witte strepen op zijn gezicht tekenen. Een rauwe kreet scheurt uit het diepst van zijn wezen: „Ik wil... eruit I Ik wil... eruit!” Enkele minuten later vliegt de celdeur open en wringt een ruwe soldaten'greep zijn nog steeds wanhopig aan het ijzer vastklemmende handen los. Met stalen boeien worden zijn polsen machteloos aan zijn bed gekluis-
150