Na enkele weken in een cel te hebben doorgebracht moet Peter op een dag voor het verhoor verschijnen. Dit vindt plaats in een bijgebouw van de gevangenis. Achter een met paperassen overladen bureau zitten drie in burger geklede mannen. Eén van hen begint in het Duits een protocol voor te lezen, waarin Peter beschuldigd wordt deelgenomen te hebben aan een overval met gebruik van vuurwapens. Peter luistert als verdoofd. Traag, heel traag, proberen zijn hersens het te verwerken. Hij hoort het, men zegt, dat het bewezen is, dat hij bij een overval was. Hij, Peter Boerhave. Waarom vliegt hij niet op en schreeuwt tegen die ploerten, dat ze liegen, dat hun hele rechtspraak op willekeur berust ? Waarom voelt hij zich tegenover deze methode zo machteloos ? Nu het stuk voorgelezen is, kijkt de Duitser Peter aan.
„Verstanden?”
Peter schudt zijn hoofd, hij wil tijd winnen. Vóór alles wil hij nog even denken hoe of wat hij zeggen zal.
„Neen, ik versta geen Duits.”
De Duitser reikt het stuk aan een ander over. „Übersetzen Sie!”
Even kijkt de aangesprokene Peter geërgerd aan als denkt hij:,Stommeling,voor jou kan ik dat hele stuk nog eens gaan lezen.’ Dan begint hij de beschuldiging op te dreunen. De woorden gaan langs Peter heen. Daar zit een N.S.B.-er, zo’n smerige baantjesklant, die voor geld zijn landgenoten de dood injaagt. Hij leest en hijzelf, Peter, luistert. Te machteloos om ook maar enig recht te doen gelden. Hij luistert naar zijn eigen doodvonnis. Als de N.S.B.-er uitgelezen is, legt hij het protocol voor Peter neer.
„Hier even tekenen, hier onderaan.”
Nu laait een felle opstandigheid in Peter op. Jawel, ze willen hem nog laten tekenen ook. Voor iets, dat hij niet gedaan heeft. Wanneer Peter met een vlugge beweging van zijn hand het protocol naar den N.S.B.-er terugschuift, kijkt hij hem recht in zijn ogen. Vast klinkt zijn stem:
„Neen, ik teken niet. Alles wat hier staat is smeerlapperij. Ik ben onschuldig.”
Voor de felle gloed in Peters ogen slaat de N.S.B.-er zijn
145