richting van het nieuwe ziekenhuis. Even later voelen zijn klamme handen de afscheidingspalen. Hier recht tegenover ligt de laatste prikkeldraadversperring. Op handen en voeten kruipt Frans over de straatstenen vooruit. In het donker bonkt zijn hoofd ergens tegen aan, geschrokken van het door hem zelf veroorzaakte geluid, blijft hij roerloos liggen. Zijn hart klopt met hevige slagen. Prevelend smeken zijn lippen den Almachtige, dat niemand hem gehoord mag hebben. Het blijft stil. Ijzig koud wordt de nacht. Frans’ ledematen verstijven. Moeilijk haalt hij adem. Eindelijk durft hij overeind te komen en wordt zich bewust waar hij is. Ja, hier voelt hij het paaltje met de doodskop erop:,Gevaarlijke zóne’. Hij moet nu door zetten. In Vught zullen zijn landgenoten hem zeker aan burgerkleding helpen. Enige meters verder nog twee prikkeldraadversperringen en een sloot. Als hij daar over heen is . . . Het lukt Frans tussen de eerste afrastering door te kruipen. Hij springt over de sloot. Los zand stort met geraas in het water. Frans houdt zijn hart vast. Doodstil blijft hij staan, niets verstoort echter de nachtelijke stilte. Voorzichtig tast Frans naar een opening in de laatste prikkeldraadomheining. Ja, hier moet hij tussen door. Hij spant zich met alle kracht in, om de draden nog wat wijder van elkaar te trekken! Zijn rechterarm gaat er door, nu zijn hoofd en zijn linker arm. Met zijn handen steun zoekend op de zijdraden, zet Frans zijn voeten tegen de versperringspalen. Een scherpe prikkeldraad-punt snijdt zijn wang open, het warme bloed loopt langs zijn hals. Frans voelt het niet, zijn lichaam zakt steeds meer voorover, zijn handen hebben nog niet de grond bereikt, zijn broek blijft achter het prikkeldraad hangen. Hij kan niet voor- of achteruit. Steeds erger voelt hij de kramp in zijn handen. Het kraken van de verroeste draden neemt in zijn verbeelding ontstellende vormen aan. Plotseling scheurt zijn broek. Hij valt voorover op de grond. Een drang om hard weg te lopen welt in hem op. Hij beheerst zich echter. De weg is nu vlak bij. Op handen en voeten kruipt Frans geruisloos naar een bospad. Hier heeft hij voor kort nog bomen gesjouwd. Vlak bij doet het blaffen van een hond het bloed in Frans’ aderen stollen. Een ruwe stem schreeuwt een vloek. Direkt
141