Je speelt prachtig man ...!
de anderen voegen. Met een nijdig gezicht voelt hij aan zijn pijnlijke kaak en zegt tegen den naast hem staanden Haftling:
„Alle rabbi’s, wat een goy! Dat had'ie me voor de oorlog es moete flikke.”
Twee dagen na het incident met den SS-post staat Frans van Zanten midden in de nacht achter zijn barak. Een vreselijke angst heeft zich van hem meester gemaakt. Pas zijn er vijftien Franse saboteurs opgehangen. Van tientallen vrouwen, die men voor straf dagenlang in bunkers opgesloten had, zijn er enkele gestorven en andere krankzinnig geworden. Elk ogenblik zijn er grote transporten gevangenen naar Duitsland te verwachten. Hij moét hier weg, vóór het te laat is. In Frans’ gemartelde hoofd wisselen angstvisioenen elkaar af met de stoutmoedigste plannen. Koude rillingen trekken langs zijn lichaam. Zijn tanden klapperen. Heeft hij koorts ? Neen, hij moet zich niets wijs maken, het is alleen erg koud. Frans’ gedachten gaan even verlangend naar zijn warme bed terug, dan grijpt de angst hem met hernieuwde hevigheid aan. Zijn voeten bewegen zich als van zelf naar het prikkeldraad, dat het barakkenkamp omgeeft. De plek, waar hij het makkelijkste onder door kan kruipen staat in zijn hoofd gegrift. Met de grootste inspanning gelukt het hem plat op zijn buik de andere kant te bereiken. Tastend sluipt hij langs de omheining in de
140