tweeën al de grootste moeite, maar alleen lijkt het hem een onmogelijkheid. De krankzinnige blik in de ogen van den soldaat doet hem echter haast maken om althans te trachten het bevel uit te voeren. Met een wanhopig gebaar spant hij zich in om de boom op te tillen. Langzaam gaat hij van de grond.
„Los, schneller, hoger, hoger!”
Nu ligt de zware last op zijn schouder. De soldaat schopt tegen zijn scheenbeen.
„Los, schneller, schneller!”
Met verzameling van al zijn krachten weet Frans het zware gewicht te verplaatsen. Eén meter, tien meter, twintig meter! Nu kan hij niet meer. Met een doffe dreun komt de boom op de grond terecht. De meegelopen post is ten prooi aan hyste-rische razernij.
„Was, willst du nicht arbeiten, willst du nicht ?”
Het gaat niet. De enorme inspanning heeft Frans’ energie uitgeput. Toch doet hij nog pogingen om het bevel uit te voeren.
„Was, wil je niet werken, willst du nicht ?”
Een drang om te huilen om eigen machteloosheid welt in Frans op. Als hij maar even weer gewoon kon denken, dan zou hij de situatie zeker weer meester worden. Maar hij voelt het, hoe meer hij zich inspant om te denken, des te moeilijker het gaat. Wat doet hij nou? Hij staat maar aan die boom te trekken. Hij weet toch, dat hij niet sterk genoeg is. Hij ... hij .. . Nu Frans zijn pogingen staakt en rechtop gaat staan, treft een harde stomp hem in zijn maag. Als hij zijn ellebogen, die hij automatisch ter bescherming voor zijn gezicht heeft gehouden, laat zakken, slaat een tweede slag zijn voortanden los. Het bloed loopt langs zijn kin.
„Willst du nicht arbeiten ? Wil je niet ?”
Een andere Hollandse SS-soldaat komt erbij. Zal hij voor zijn mishandelden landgenoot opkomen? Neen, hij neemt het commando van den ineens kalm geworden post over.
„En nou aanpakken,” klinkt zijn ruwe stem. „Hop, aan-pakken!”
De over het gehele lichaam sidderende Frans wordt door
138