hebben hem mooi tuk, die kolére-moffen. Hij had gedacht, dat de oorlog gauw afgelopen zou zijn en hij als geëerd vrijwilliger een mooi baantje zou krijgen. Maar neen, het is, als gewoonlijk, weer tegengelopen. Met zijn in Rusland bevroren poten, moet hij op wacht staan en kindermeisje spelen over zo’n stelletje gore zwarthandelaars en saboteurs. De post blijft staan en bonkt met de kolf van zijn geweer op een zware boomwortel. Verdomme, hij zit tussen twee vuren. De moffen behandelen hem als hun slaaf en zijn landgenoten verachten hem. Zij, die volgevreten, elkaar berovende en bezwendelende eerzame Hollanders, verachten hem. Ha, ha, de post grijnst breed. De zwarthandelaar, die het door zijn onrechtmatig verdiende geld niet nodig heeft om bij de SS te gaan, veracht hem. Dat is effe een mop. Of, een mop is het eigenlijk niet, want diezelfde verachting kan hem nog wel eens zijn kop kosten. Ze vinden het heel gewoon, als één van hen een armen donder, die niet genoeg kan betalen, eten weigert. Dat is te vergeven. Maar voor hem, die ook aan geld wil zien te komen, bestaat geen vergeving. De post knarsetandt van woede. Dan niet. Als ze zelf alle mogelijkheden tot terugkeijen afsnijden, moeten ze het maar voelen ook. De oorlog is nog niet beslist. Onderhand dat de post zichzelf tot razernij staat op te zwepen, naderen twee mannen, die samen een zware boom op hun schouders torsen. De achterste is Frans. Als ze de post op enige meters genaderd zijn, wordt deze op hen opmerkzaam. O, daar heb je weer twee van die goede vaderlanders. De voorste lijkt me iemand, die het zelf ook nooit te breed gehad heeft. Maar die achterste met zijn fijne, uitgestreken porem is zo’n echte anti. Een drang om hen, die in zijn macht zijn, te doen lijden, welt in den post op. De haat overheerst alle menselijke overwegingen. Met een paar grote passen staat hij achter Frans en trekt hem onder de boom vandaan. De boom stort op de grond. De voorste man voelt een klap op zijn schouder en krijgt de zware boom, die ervan afvliegt, tegen zijn enkel. Hij brult het uit en springt hinkend in het rond. Met een ruwe lach wendt de post zich tot Frans:
„Los, jij alleen onder die boom, los!”
De aangesprokene weet zich geen raad. Ze hadden met zijn
Vught 9
137