Nu slaat hij zijn bijbeltje open.
doelloos, een aaneenschakeling van ongemotiveerd lijden. Ach, nu Frans niet op het gesprek is ingegaan, begint zijn buur te schelden;
„Het is schandalig. Die „fijnen” denken er makkelijk af te komen. Als je maar even bidt is alles vergeven en vergeten. De geestelijken prediken allemaal berusting, maar er is geen één van hen, die hier geen makkelijk baantje heeft. Daar hebben hun aanbidders wel voor gezorgd. Ze krijgen grote pakketten van de kerk gestuurd alsof het niets is. Ja, ze geven voor de reclame ook wel eens wat weg, hoor, maar alleen als ze zelf niet meer lusten.”
Daar Frans het niet langer meer aan kan horen, gaat hij naar het wasruim. Alleen, in het donker, gaan zijn gedachten naar zijn gezin. Daar achter de muren van zijn huis heeft hij zich altijd zo veilig gevoeld. Daar leefde hij met zijn gezin buiten alle haat en laster. Daar kende men slechts liefde voor elkaar. Frans vouwt zijn handen ineen en bidt;
„God, geef hun, die in het duister voortgaan, een licht op hun pad, opdat ook zij de weg mogen vinden, die Jezus Christus ons wees. De weg der naastenliefde en respect voor Uwe Heiligheid. Amen.”
De post, die de volgende dag in het bos met het toezicht op bomensjouwen belast is, loopt geërgerd heen en weer. Ze
136