Met een moedeloos gebaar grijpt de Haftling Frans van Zanten onder zijn hoofdkussen naar zijn bijbeltje. De eerste dagen, die hij in het kamp doorbracht, was hij vol goede moed. Wat hij om zich heen zag gebeuren was vreeselijk, maar God zou hem zeker helpen. God verlaat de Zijnen niet. Alle ellende vond zijn oorzaak in de goddeloosheid, waarin de mensen leefden. Alle straf, die God ons daarvoor oplegde, moest blijmoedig aanvaard worden. Wat God doet is welgedaan. Met deze gedachten had Frans in alle oprechtheid getracht zoveel mogelijk in zijn lot te berusten. Helaas, een mens is slechts een mens en na enige tijd sloop de eerste opstandige gedachte Frans’ hoofd binnen. Hadden de mensen, die niet meer konden geloven, wel helemaal ongelijk? Was een God, die de mensen zelf zo zwak geschapen had, eigenlijk niet te verwerpen? In zijn wanhoop was Frans een geestelijke gaan raadplegen. Zeker, het was waar wat de geestelijke zei: „Wij hebben niet het recht om God ter verantwoording te roepen. Vergeet niet, dat wij niet God, maar God ons geschapen heeft. Om God voor zijn daden ter verantwoording te roepen, zijn wij te nietig.” Deze woorden hadden Frans weer tijdelijk doen herademen. Doch het was slechts tijdelijk, want binnen korte tijd was hij weer aan het wankelen geraakt. Nu slaat hij zijn bijbeltje open. Ja, hier staat het: Gij zult . . .
„Hé, ga eens opzij, je staat in het licht.”
Frans’ onderbuurman laat een protest horen. Frans schuift een eindje op. Het hoofd van den mopperaar steekt tussen de bedden uit. Hij kijkt afkeurend naar Frans.
„Verdomd, als ik het niet dacht, daar staat hij weer in zijn bijbel te lezen. Man, wat verwacht je nou van zo’n vod papier? Denk je door bidden uit het kamp te komen? Wees toch wijzer.”
Het hoofd verdwijnt weer. Frans gaat in gedachten op zijn bed liggen. Raar toch, die man wil hem ook al van zijn geloof afhouden. Maar wat zou hij dan willen ? Zou hij menen, dat Frans door niet meer te geloven makkelijker kon leven? Wat naïef. Het vertrouwen, dat er na dit troosteloze aardse bestaan een vergoeding voor al dit lijden is, geeft hem immers de moed om te leven ? Zonder dit vertrouwen lijkt het leven hem
135