hetzelfde lijk. Overdag moest hij natuurlijk arna zijn werk. Dat was lastig, maar we vonden er gauw een oplossing voort We zetten hem op de WC en als een soldaat kwam controleren, wist deze niet beter, dan dat hij net overleden was. Maar om op dien Simons terug te komen. Op een keer hadden we een stelletje doden naar het wasruim gesleept. Mijn vriend stootte mij aan en merkte op: „Die kerel beweegt zijn poot nog, hij is nog niet gekrepeerd.” Ik keek in de aangewezen richting en zag tussen de onderste lijken een hand zachtjes heen en weer gaan. Het gezicht van den eigenaar had ik meer gezien, maar ik wist niet meer waar. „Daar kunnen we ons niets van aantrekken, maat,” was mijn antwoord. „Hij zal gauw genoeg uit zijn lijden zijn. We hebben onze plicht gedaan. Er zijn geen hulp- of geneesmiddelen. Nu hij éénmaal zo ver is, is het maar het beste zo.” We lieten hem liggen en gooiden er nog een paar lijken bovenop. Nou geef ik je te raden, wat er met hem gebeurde, ’s Avonds werd er een naam afgeroepen van iemand, die naar huis mocht. Niemand wist waar die vent zat. Ineens stond de blokschrijver voor me. Of ik wist, waar mijn slaapje was. Hoe zag hij er ook weer uit. Daar had ik geen idee van. Je ziet in het kamp zoveel gezichten. Plotseling schoot het mij te binnen. O ja, dat was hij, die halfdode. De schrijver was al doorgelopen. Ik besloot er niet over te praten. Toch vertelde ik het aan mijn vriend, die voor wapens zat en elk ogenblik gefusilleerd kon worden. Deze besloot van jasje te ruilen. De halfdode werd weer uit het wasruim gehaald en met het jasje van mijn vriend aan op diens bed gelegd.
Mijn maat ging de volgende dag naar huis. Maar nu het ongelooflijke: De halfdode werd door een pas gearriveerden gevangene weer een beetje verzorgd, leefde weer op, ging enige dagen daarna weer aan het werk en .. . vluchtte. In die tussentijd werd ik zwaar ziek. Aan het randje van de dood haalden de stukjes brood en norit, die mijn vriend mij langs clandestiene weg stuurde, me er weer boven op.” De pannenwasser is met zijn werk klaar, droogt zijn handen aan zijn jasje af en zegt: „Ja, het leven is soms wonderbaarlijk.”
134