om de tuin te kunnen leiden. Maar aan hèm zullen ze geen vriend hebben, aan hèm niet, hij haat ze allemaal. Buiten lopen een paar Haftlingen verontwaardigd over het geval te discussiëren.
„Wat een ploert is dat toch, die blokoudste. Zo zit hij rustig aan zijn tafel en zo slaat hij er op los. Hij is nog te slecht om opgehangen te worden.”
„Ach,” zegt een ander, „al die kerels zijn gek. Er is er niet één, die nog goed bij zijn verstand is. Je moet ook niet vragen, wat ze allemaal meegemaakt hebben. Het beste is maar om ze uit de weg te blijven.”
„Ik begrijp er niets van,” zegt een derde. „Die Haftling wou hem nog wel een sigaret geven.”
„Net goed,” antwoordt iemand met ergernis in zijn stem. „Hij had dien boef ook niet aan moeten halen. Hij gaf alleen uit angst en in de hoop, door de vriendschap van den blokoudste eventuele straf te ontlopen. Net goed!”
„Het leven is soms wonderbaarlijk.” Een Haftling, die in het wasruim zinken etensbakjes staat schoon te maken, schudt zijn hoofd. „Daar schiet mij net te binnen, dat die ander precies zo heette als jij, ook Simons.” De aangesproken Haftling, die net de grond heeft gedweild, kijkt zijn maat in het abnormaal opgeblazen gezicht. „Wie ? „O ja,” het schiet den pannetjeswasser te binnen, dat hij nog niet verteld heeft wie die andere was. „Nou, we hebben toch de tijd. Simons heette de man, die hier in het wasruim lag. Dat was korte tijd nadat kamp Vught in gebruik genomen werd. In dit zelfde wasruim lagen de lijken ongeveer een meter hoog op elkaar gestapeld. Bloeddiarrhee, daar hadden de meesten last van. Ik was toen lijkenpikker.” „Wat was je?” „Nou ja, ik moest de lijken van de appèlplaats slepen en in het wasruim neergooien. Dat was een mooi baantje, want daar kon mee gesmokkeld worden. De Haftlingen waren er fel op. We hadden altijd meer brood dan de anderen. Het gebeurde vaak, dat we een dode weer mee naar het appèl sleepten en net deden alsof hij nog leefde. Daarna haalden we zijn pannetje watersoep en legden hem zolang op bed. Dagenlang gebruikten we soms
133