De Duitse blokoudste is vanavond woedend. De ergernis staat op zijn gezicht te lezen. Verdammt noch ’mal, wat een stompzinnig volk zijn de Hollanders. Terwijl hij aan zijn tafeltje zit, richten zijn ogen zich vol haat op de etende Haft-lingen. Die vent daar is één van het soort kerels, dat hij hier al zo veel heeft meegemaakt. Eén, die bij het eerste het beste gunstige bericht van de geallieerden direct met een gezicht aan tafel zit, als denkt hij: „Ik vist het wel. Het verwondert mij niets. Het kan elk ogenblik afgelopen zijn.” Kijkt hij op zo’n moment echter onverhoeds in de ogen van den blokoudste, dan wendt hij zijn blik snel af, als denkt hij: „Nu ben ik nog machteloos, doch wacht maar, straks...” Bij deze overweging bonst het in het hoofd van den blokoudste. Ja, hij weet het wel, ze zouden hem graag dood zien. Zij en zijn landgenoten moeten niets van hem hebben, maar laten ze zich in hem niet vergissen. Nóg is hij de baas. De vent, die naast hem zit, is ook een schoft. Bah, wat een slap type. O, hij kijkt hierheen. Ja, nou grijnst hij. Natuurlijk hoopt hij, dat de blokoudste zijn huichellachje niet door heeft en zo stom is om te denken, dat de man hem welgezind is. Huh, wat een tuig! Wacht, daar komt een andere Haftling naar den blokoudste toe. Een sigaret houdt hij in de palm van zijn hand. De blokoudste kent dat. Het zijn de laffe judassen, die even met hem komen praten en dan stiekum, opdat hun kameraden het niet zullen zien, een sigaret op zijn tafeltje achterlaten. De blokoudste, die een felle roker is, heeft, ondanks zijn afkeer van deze valse vriendschap, altijd de sigaretten in ontvangst genomen. Maar vandaag staat het hem tegen. Als de man zich met een lachje over de tafel heenbuigt en de sigaret achter het appèlboekje laat vallen, treft een harde vuistslag zijn kin. De achterover slaande man valt met zijn hoofd tegen een tafelpoot. De blokoudste is wild van woede. Al zijn opgekropte grieven ontladen zich boven het hoofd van den overeind-kruipenden Haftling. „Blode Hunde, ik heb jullie vullis niet nodig, niets, hoor je, niets!” Als de andere Haftlingen zich naar buiten spoeden, gaat de blokoudste, die nu geheel over zijn zenuwen heen is, de slaapzaal binnen. Vervloekt achterlijk zijn die lui, ze denken lederen Duitser met een slimmigheidje
132